Overweging 1 mei, Frank de Haas

Overweging 1 mei 2016           Handelingen 15, 1-2, 22-29 en Johannes 14, 21-29

 

 

Beste medeparochianen,

 

Onze aandacht wordt vandaag gevraagd voor het Woord. Het is het Woord dat hier, in deze kerk, in onze liturgie, centraal staat.

Het woord dat we beluisteren. Dat we “proeven” en overwegen. Dat we proberen te verstaan. Dat ons kan aanspreken. Dat ons kan inspireren. En dat laatste is ook vaak het geval. Het Woord als onze bron waaruit we putten voor ons leven.

 

Dat woord is belangrijk. Want het bevat een boodschap. Het bevat aanwijzingen voor ons leven van alledag. Onze houding en ons gedrag.

Dat woord bevat ook concrete regels. Zie maar wat er in de eerste lezing uit de Handelingen staat: “U moet zich onthouden van afgodenvlees, bloed, verstikt vlees en ontucht”.

 

Maar dat Woord behelst zoveel meer dan regels. Het gaat vooral om de mentaliteit die uit dat woord spreekt. Het gaat vooral om een goed overwogen levenshouding. En leven naar het Woord van de Heer levert ons iets op, iets groots, namelijk:  Zijn liefde.

 

Zie hoe het in de evangelielezing wordt uitgedrukt: “Als iemand Mij liefheeft, zal hij Mijn Woord ter harte nemen; dan zal Mijn Vader hem liefhebben en zullen we bij hem ons verblijf gaan houden”. En iets hiervóór wordt in een ander vers gezegd: “Wie zich aan mijn opdracht gebonden weet en haar ter harte neemt, die is het die Mij liefheeft, en wie Mij liefheeft zal ondervinden hoe de Vader hém liefheeft en ook Ik zal hem liefhebben en Mij aan hem openbaren”.

 

Hij zal ons, onder deze voorwaarden, liefhebben. De liefde. Hoeveel is er al niet gezegd, geschreven en gezongen over de liefde? Veel, heel veel. Liefde is toch het allergrootste goed.

 

In een eerdere overweging heb ik al eens de schitterende omschrijving van liefde geciteerd die Huub Oosterhuis gebruikte bij de opening van het gebouw De Nieuwe Liefde. Omdat die definitie van liefde zo fraai en indrukwekkend is, laat ik hem nog eens horen:

“Ik versta onder liefde: die duizenden nuances van vriendelijkheid en vriendschap, van hartstocht en hoofsheid, van tact en geduld, van bedachtzame eerbied en mededogen, van lange trouw en spontaniteit, waarmee mensen elkaar bejegenen.

Ik versta onder liefde ook: de denkkracht en de intuïtiekracht, de wijsheid en de wetenschap, en alle fantasie en volharding en optimisme waarmee de aarde wordt opgebouwd, steeds opnieuw, tegen alle afbraak in. Alles wat ten goede is, alles wat zingt en in vervoering brengt, alles wat troost en tot bezinning leidt, en alles wat bijdraagt aan iets meer recht en vrede voor zoveel mogelijk mensen, noem ik liefde.”

 

Een allesomvattende definitie, lijkt me zo. En prachtig.

 

We zitten in ons kerkelijk jaar in de laatste weken tussen Pasen en Pinksteren. Hemelvaart én Pinksteren komen eraan.

 

In die eerste jaren, zo kort na Jezus’ dood aan het kruis, was alles anders. Ik denk soms bij mezelf: ik zou wel eens met een tijdmachine naar dat moment in de wereldgeschiedenis getransporteerd willen worden. Alles is nog zo nieuw en pril. De opbouw van een christelijke gemeenschap is nog maar net begonnen. Er kon daar nog zoveel. Er was nog geen, althans nog geen langdurige, belastende geschiedenis. In grote verwondering, ook vertwijfeling, met heel veel vragen, nadrukkelijk zoekend kwam die eerste nog kleine gemeenschap bijeen. Niet zonder moeilijkheden overigens. Want er is een conflict. Petrus vindt dat de volgelingen van Jezus zich aan de Joodse wetten moeten houden, terwijl Paulus dat niet noodzakelijk acht. De jonge kerk van toen heeft nadrukkelijk besloten hierover met elkaar in gesprek te blijven. Met de bedoeling er samen uit te komen.

 

Jezus wil ons, vlak vóór zijn afscheid, een weg wijzen. Een weg naar vrede. Een echt afscheid is het niet. Hij wil bij ons blijven in Zijn Woord, in Zijn Geest en in Zijn vrede.

 

We zijn zo’n 2000 jaar verder. Onze tijd, onze situatie van nu is nauwelijks vergelijkbaar met de tijd en de situatie van toen. Toch is er wel een overeenkomst. Ook wij zijn als geloofsgemeenschap zoekende. Hoe gaan we de komende pakweg 10 jaar in?  Hoe bewaken we samen de vitaliteit? Hoe kunnen we elkaar blijvend inspireren, rond dat Woord dat onze bron is? Op verschillende manieren zijn we hier mee bezig. De pastoraatsgroep heeft hier een actieve rol in. Er was in september vorig jaar een eerste kaderdag voor vrijwilligers. Een paar maanden geleden een avond over diaconie. Zeer onlangs was er een eerste avond over liturgie, een tweede avond (19 mei) komt eraan. En op zondag 5 juni volgt er een parochie-inspiratiedag, met een veelheid aan bijzondere ontmoetingsmogelijkheden, voor iedereen die zich met deze gemeenschap verbonden voelt.

 

Op de eerste avond over liturgie hebben we ons gerealiseerd hoe breed dat begrip liturgie eigenlijk is. Wezenlijk is de samenkomst, de ontmoeting van mensen rond zaken “die ertoe doen”. Het kan een grote groep zijn. Maar net zo goed een paar mensen bij elkaar. Hier, in de kerk, in de pastorie. Maar het kan ook bij iemand thuis zijn. Een ontmoeting rond verhalen. Levensverhalen van mensen die oprecht naar elkaar willen luisteren. Het gaat nadrukkelijk ergens over! Die elkaar willen raken met hun verhalen, die erdoor geraakt, geïnspireerd, bemoedigd en getroost willen worden. Hoe willen we het leven vieren hier in liturgische bijeenkomsten? Met het Woord, met verkondiging, gebed, zang. Met rituelen en symbolen. In meerdere varianten. We praten daar op die tweede avond over liturgie verder over.  Van harte welkom!

 

En bij dat alles willen we, meer dan in het verleden, de deuren en ramen openzetten naar de wereld dicht om ons heen. Als een uitnodigende gemeenschap, waarin niet alleen intern de verbinding wordt gezocht, maar vanwaaruit ook krachtig de ontmoeting en de verbinding met onze buren worden gezocht.

 

Ooit waren de leerlingen in grote onzekerheid bij elkaar. Hoe zal de toekomst eruit zien? De Heer die er weldra niet meer zal zijn. Maar die zijn leerlingen niet in de steek laat. Hij zal ons via de Geest blijvend inspireren. Ze staan er niet alleen voor. Pinksteren komt dichterbij. Er is de belofte dat Zijn Geest ons blijvend zal beademen. Openheid en ruimte biedend, perspectief. Hoop en vertrouwen worden aangeblazen. Vrede! Hoezeer kunnen we daarnaar verlangen in deze ijzige wereld. Die ons soms de moed ontneemt, ons wanhopig maakt.

 

Bij dat vormgeven aan de toekomst hebben we elkaar hard nodig. Dat de dialoog wordt voorgezet. Dat we met elkaar in gesprek blijven. Dat er vitale ontmoetingen zijn. Hier en elders. Rond het Woord. Rond onze levensgeschiedenissen. Onze verhalen van vreugde maar ook van pijn. Dat we hier het brood blijven breken en delen. Elkaar troostend, elkaar sterkend in onze verlangens. Een wereld van vrede.

 

Omdat we letterlijk en figuurlijk dicht bij elkaar willen zijn, als we samen dat Woord van de Heer overdenken, zou het mooi zijn als we ook daadwerkelijk, fysiek, wat dichter bij elkaar zouden zitten. Op die liturgie-avond ging het ook over kloosters, over het samenkomen in de kerk of kapel daar, waar iedereen, wel of niet met een rol in de viering, veel dichter bij elkaar zit en daardoor ook een grotere betrokkenheid en verbondenheid ervaart.

Een soortgelijke ervaring kent de LWM als we zingen in een viering in de kapel van het OLVG.

 

Ik kan er niet genoeg de nadruk op leggen hoe ontzettend belangrijk die open communicatie en ontmoeting zijn en blijven. Als kern van het Samen Kerk-zijn. Op de zondagochtend kan dat met krachtige woorden, met gebeden, liederen (liefst zoveel mogelijk samen gezongen),  met prediking die aansluit bij en ons iets meegeeft voor ons leven van alledag.
We hebben elkaar zoveel te zeggen. We hebben elkaar zoveel te bieden. Soms ook zonder woorden. Stilte is ook zo belangrijk. De stilte, zou ik willen zeggen, van kloosters.

 

Een klein zijstapje. Ik las een heel mooi stukje op de website van het Dominicanerklooster in Huissen. Een “mijmering” van iemand, zelf geen kloosterling, die er regelmatig komt. Ik citeer een paar regels uit dit stukje. “Mijmeren”- stelt de schrijfster – “staat voor ‘in min of meer weemoedige gedachten verzonken zijn””. Ze is met de auto onderweg naar het klooster en schrijft: “Klassieke muziek zachtjes aan en denken aan mijn tocht richting het klooster. (…) Een plek waar een ieder zich gedragen mag voelen”.  Ze schrijft dat ze er soms overnacht en dan vanuit haar kamer naar de reusachtige rode beuk in de kloostertuin kijkt. En al kijkend, schrijft ze, “mijmerde ik na over die mooie rode beuk die zijn winterslaap houdt om ons allen, bezoekers van de prachtige kloostertuin, weer te gaan verrassen met zijn prachtige blad in het komende voorjaar”. Ze wenst iedereen zo’n kloosterverblijf toe. “Hard en plezierig inspirerend werken met z’n allen én mooie resultaten boeken met z’n allen. Het warme onthaal en de aardige, kundige mensen die je begroeten”. Het klinkt heel aanlokkelijk.

 

Ik vind vooral dit zo mooi: ze omschrijft het klooster als een “plek waar een ieder zich gedragen mag voelen”…
Dat het hier ook zo’n plek mag zijn. Waar we elkaar mét en soms ook zonder woorden ontmoeten. Ontmoetingen die kracht en vertrouwen geven om samen verder te gaan.
Laten we in deze “geest” toeleven naar Pinksteren.
En voor we het volgende lied inzetten even stil zijn.

 

Amen