Overweging 20 mei , Leo Nederstigt

Preek in de Martelaren op 20 mei 2017

Lezingen: Hand. 8, 5-8.14- 17 en Joh, 14, 15 -21

 

Zusters en broeders,

 

Ik kan me het enthousiasme herinneren van de eerste tijd dat ik priester was. Ik werd priester in een tijd dat verschillende mensen het gevoel hadden, dat de toekomst bij pastoraal werkenden lag.  Ik kon zelf warm lopen voor de Eucharistie en daar ontleende ik veel vreugde aan.  Noem het de eerste liefde.

 

Een tijdje geleden had ik twee aardige mensen getrouwd. Maar na een paar jaar kwam ik de bruidegom van toen met een andere vrouw tegen. ‘Ach, we zijn gescheiden, maar u ziet dat ik weer een nieuwe vrouw heb. Ík stond daar verwonderd over. Die twee mensen, die ik had ontmoet, waren zo verrukt over elkaar. Maar later begreep ik, hoeveel er in korte tijd was gebeurd. Hun huwelijk hield geen stand.

 

Dat enthousiasme van het begin ken ik en velen met mij. maar vroeg of laat voel je dat het tijd is voor de lange duur. Zou dat ook gaan met ons geloof? Velen van ons dragen een enthousiaste periode met zich mee. Ooit werd je geïnspireerd door een juffrouw of meester, een kapelaan of een pastor, door je moeder of door je opa. Het enthousiasme kon ook komen door een koor met mooie liederen, door een schrijver of schrijfster, die jou echt iets te zeggen had. Misschien had je ooit een intense ervaring, die je nooit meer loslaat en waarin je iets van God ervaarde of wie weet God zelf. Een gebouw, een kerkgebouw kan je warm maken of bezielen.

 

Misschien ook iets anders. Als student ging ik dikwijls naar een groepje kapucijnen, die overdag in de fabriek werkten. Ze wilden dicht bij het leven van mensen staan. Zij beleefden de Eucharistie in een kleine kring. Ik mocht daar aan meedoen en ik denk dat ik het waardevolle daarvan nooit meer heb losgelaten. Die intense momenten kan je meedragen.je kan ze ook weer vergeten.

 

Ik denk ook aan de verhalen van de Handelingen van Apostelen. Die verhalen vertellen ons, hoe het er in het begin aan toeging. Op de eerste Pinksterdag werden maar liefst vijfduizend mensen gedoopt. Wat een enthousiasme. Een stukje verder lees ik, hoe mensen deelden wat zij bezaten en regelmatig samenkwamen voor gebed en het breken van het brood. Zouden al die vijfduizend gedoopte daaraan hebben meegedaan? Of was het maar een kleine groep?

 

De eerste leerlingen, bijvoorbeeld Petrus en Johannes moeten overal dat eerste enthousiasme hebben meegemaakt. Maar er was ook zorg. Zou dat beklijven? Zou dat enthousiasme ergens vaste grond krijgen? Geen wonder dat ze naar Samaria gingen. Daar had Filippus veel enthousiasme los gemaakt. Ze wilden graag dat het zo zou blijven. Ze gingen er op af en legden die enthousiaste mensen de handen op en deelden hen de heilige Geest mee. Zo moet de heilige Geest beleefd zijn. Het ging niet enkel om dat eerste vuur, dat vroege enthousiasme. Maar het ging ook om bestendigheid,  om de lange duur, om de volharding.

 

Naar die Geest zie ik eerlijk gezegd wel met enige verlangen uit. Er kan in de kerk zoveel of zo weinig gebeuren dat je het wel even gezien hebt of dat je niet meer verder wil. Maar als  er mensen zijn, die toch, hoe dan ook verder gaan, volhouden, doorzetten, dan kan ik natuurlijk denken aan die volhouders onder ons van karakter. Maar ik denk eerlijk gezegd ook aan de heilige Geest. Die geeft kracht en steun, warmte en vuur, maar soms is het  niet meer en niet minder dan een waakvlam, die blijft banden  als er uithoudings -vermogen wordt geraagd.

 

Ik kom nogal eens mensen tegen, vooral jonge mensen, die me zeggen, dat ze best spiritueel zijn. Soms worden ze razend enthousiast van helderzienden.  Soms ervaren ze de rijkdom van het leven in een gedicht of in een boek of in een bijzonder televisieprogramma of in een goed lied. Maar volgens mij mogen we de meeste mensen, die vandaag in de kerk komen,  wel beschouwen als spirituele mensen. De tamelijk nuchtere maar volhardende en regelmatige kerkgang  blijkt mensen bestand te maken, om problemen, ook ernstige problemen onder ogen te zien en er mee om te gaan. Samen bidden en zingen, samen luisteren naar woorden, die leven geven en die er toe doen brengen je op een ander, misschien wel dieper levensniveau. Te Communie gaan, brengt je in verbondenheid met veel mensen om je heen, maar ook met Christus, die in brood en wijn zijn eigen leven schenkt.

 

Over die Geest gaat het ook in de Evangelielezing. In de verdrietige en weemoedige sfeer op de laatste avond van Jezus’ leven, belooft Hij de Geest voor de tijd waarin Hij niet meer onder hen leeft.  Die Geest maakt dat Hij op een andere en krachtige wijze in hun midden zal zijn. Die Geest voert de mens als het ware binnen in het  huis van God, van de Vader en van de Zoon. Wie die Geest ontvangt woont in Christus en Christus woont in haar of in hem.

 

Dat lijken grote woorden, maar het heeft zeker veel te maken met dat wat Jezus liefde of liefhebben noemt.  Ik vind het bijzonder dat Hij die diepe woorden verbindt met De Geest, maar tegelijk ook met het onderhouden van geboden.

 

Zal ik proberen het eenvoudig te zeggen? Het verlangen naar de Geest of de kern van ons geloof heeft twee dingen op het oog: allereerst het diepe besef dat er van  ons wordt gehouden. Ten tweede is dat dat we van onszelf en van elkaar moeten houden. Het klinkt wat nuchter, als het gaat om het onderhouden van geboden, maar de liefde is toch heet eerste en voornaamste gebod. Zo vlak voor Hemelvaart en Pinksteren worden wij uitgenodigd terug te keren tot de kern van dat wat ons tot gelovigen maakt. En daarin kunnen en mogen we kracht en vreugde ervaren.