Overweging 25 juni – Coen van Loon – Opening tentoonstelling

Pastor Coen van Loon heeft zijn overweging van 25 juni bij de opening van de tentoonstelling voor de website iets bewerkt en uitgebreid.

Evangelie (Mt. 10, 26-33)

Toen Jezus zijn apostelen uitzond zei Hij hen:

26      Word niet bang voor de mensen.

Want niets is verhuld dat niet onthuld zal worden,

en niets is verborgen dat niet bekend zal worden.

27      Wat Ik jullie zeg in het donker, zeg dat in het licht.

Wat jullie in het oor gefluisterd krijgen,

verkondig dat vanaf de daken.

28   Wees niet bang voor hen die het lichaam doden,

maar de ziel niet kunnen doden.

Wees eerder bang voor hem

die en ziel en lichaam kan ombrengen in de hel.

29   Twee mussen kosten toch maar een stuiver?

En daarvan zal er niet één op de grond vallen buiten jullie Vader om.

30   Bij jullie zijn zelfs alle haren op je hoofd geteld.

31   Wees dus niet bang.

Jullie zijn meer waard dan een hele zwerm mussen.

32    

33   Wie Mij verloochent tegenover de mensen,

die zal Ik ook verloochenen tegenover mijn Vader in de hemel.

 

Toen:

“In de ochtend van 25 juni 1572 verschijnen dertien geuzenschepen op de rivier de Merwede aan de voet van de stadswallen van Gorcum. Aan de scheepsmasten wapperen processievaandels, sommige piraten dragen kazuifels, anderen drinken ostentatief uit miskelken. De meeste inwoners van Gorcum zijn geschokt als zij vaststellen dat de aanhangers van de Prins en de vrijheid zich gedragen als kerkschenders. Maar de angst overstemt de verontwaardiging, en niemand blijkt bereid om de kapers een strobreed in de weg te leggen. De laatste weerstand wordt gebroken door de propagandapraatjes van de vijfde colonne in de stad: aan de oude religie zal niet geraakt worden, de geuzen zullen de Tiende Penning (Een omzetbelasting van 10% op de verkoop van roerende goederen; ingesteld door de hertog van Alva) afschaffen, de prijzen van meel en brood zullen omlaag gaan !

In Gorcum bevonden zich een nonnenklooster en een franciscaner mannenklooster. Claes Pieck, de gardiaan (overste) van dat laatste klooster, nam de nodige voorzorgsmaatregelen. Hij evacueerde de nonnen naar de even buiten de stad gelegen vesting van baljuw Turck. Anderen moedigde hij aan zo veel mogelijk uit te wijken naar familie of andere kloosters in de omgeving. Ook bracht hij waardevolle spullen, zoals misbekers, in veiligheid. Die zouden immers makkelijk ten prooi vallen aan de geuzen. Een dag later werden elf franciscanen en vier wereldheren, waaronder de pastoor van Gorcum, Leonardus Veghel en de onderpastoor, Nicolaas van Poppel, gevangen genomen en begonnen de martelingen en kwellingen.”

 

Nu:

25 juni 2017. 12e zondag van het liturgische A-jaar.

Jeremia 20,10-13       Psalm 69          Romeinen 5,12-15      Mattheus 10,26-33

 

Het is opvallend aan de Bijbel dat, wanneer je met een bepaald woord of thema in je gedachten,

een tekst leest, er plotseling een ander licht ontstaat waarin je het leest. Dat geldt voor mij

met de lezingen van vandaag. Nu lees ik het vanuit het thema van de tentoonstelling die straks geopend wordt: ‘staan voor je geloof – martelaarschap als verbindend begrip’.

En dan zie je ineens in zowel de eerste lezing van Jeremia als in het evangelie hoezeer dat ‘staan voor je geloof’ aanwezig is.

Jeremia is een van de krachtigste profeten uit het Oude Testament. Tegen alle verdrukking in, blijft hij het woord van God verkondigen.  Maar in het stuk dat wij vandaag lezen wordt het hem teveel; hij wil niet meer. Hij heeft er zo op gehamerd dat er ontzetting overal is, dat dat zelfs de naam is die mensen hem geven:  “Jeremia sprak: Ik hoor veel mensen fluisteren: daar heb je `’Ontzetting-overal’. Geef hem aan. Ja, we geven hem aan. Al mijn vrienden willen niets liever dan mijn ondergang. Ze zeggen: `Misschien laat hij zich misleiden, dan overmeesteren we hem en kunnen we ons op hem wreken.’

Hier maken we kennis met de zielenstrijd van Jeremia. Zal hij blijven zwijgen of zal hij nieuwe kracht ontvangen? In situaties van wanhoop kun je je van alles in je hoofd halen en dat gebeurt hier met Jeremia. Maar dan herpakt hij zich en roept hij uit: ‘JHWH is bij mij als een machtige strijder. Mijn achtervolgers vallen neer, ze zullen niet overwinnen, ze worden diep beschaamd. Hij kan God weer zien als de God, die hart en nieren doorgrondt. “Heer van de hemelse machten, die alles rechtvaardig onderzoekt, die hart en nieren doorgrondt, laat mij zien hoe U wraak neemt. Ik heb immers mijn zaak in uw handen gelegd.”

 

Geloof en zielenstrijd, vertrouwen en wanhoop, het zijn schijnbare tegenstellingen.

Maar beide komen we tegen ook bij deze Jeremia, deze boodschapper van God.

En we horen hier hoe juist op de bodem van de menselijke wanhoop het keerpunt kan liggen naar overgave en vertrouwen op God.

Een dergelijke zielenstrijd moet twee weken lang door de pastoor en de kapelaan van Gorcum, de elf franciscanen, de dominicaan, de reguliere kanunnik van sint Augustinus en de twee norbertijnen uit Monster, gegaan zijn, nadat zij op 26 juni 1572 gevangen werden gezet. Twee weken lang werd hen kwaad bejegend en werden zij gemarteld. Hun groep was groter. Een aantal van hen hield het niet vol en gaven hun geloof in de paus en in de eucharistie op. Zij kwamen vrij. Negentien van hen hielden het vol trouw te blijven aan het katholieke geloof waarbuiten voor hen geen eeuwig heil mogelijk is.

Die vrijlating vergrootte de druk op hen. Ook familieleden werden bij hen toegelaten, die bij hen erop aandrongen hun geloof op te geven. Zij hielden echter stand.

 

Het is moeilijk voor te stellen dat iemand bereid is te sterven omdat hij of zij zijn waarheid niet op wil geven. Iemand schreef mij in de afgelopen dagen: “Ik heb altijd een beetje moeite met het begrip martelaren, vooral met de martelaren van onderlinge religieuze twisten. Hoe belangrijk is het om onwrikbaar vast te houden aan tamelijk onbelangrijke details in de geloofsleer.  Ze waren slachtoffers, dat is waar, maar onnodige slachtoffers als de leer aan beide zijden niet zo fundamentalistisch was beleden.”

 

Het is niet voorstelbaar wat er in de uren en de dagen wanneer de dreiging groot is, wanneer je weet dat men kan komen om je op te pakken, te martelaren en te doden, door een mens heengaat. In het boekje, dat bij de tentoonstelling hoort en dat u vanaf vandaag kunt kopen, hebben wij het geestelijk testament opgenomen van Christian de Chergé. Samen met zes andere monniken is hij in 1996 in Algerije uit zijn klooster ontvoerd en vermoord. Vlak daarvoor schreef hij een geestelijk testament, dat begint met: ‘Als een terrorist mij vandaag vermoordt’.

Hij schrijft: “Ik heb lang genoeg geleefd om te weten dat ik mede schuld heb aan het kwaad dat in de wereld helaas lijkt te zegevieren, zelfs aan het kwaad dat me blindelings kan treffen. Als het zover is, zou ik graag in een flits de luciditeit hebben die me in staat stelt vergeving te vragen aan God en aan mijn broeders in het menszijn en tegelijk van ganser harte hem te vergeven die mij ombrengt….. Ik zal immers, als het God behaagt, mijn blik kunnen laten opgaan in die van

de Vader om samen met Hem naar zijn moslim-kinderen te kijken. Dan zal ik ze zien zoals Hij ze ziet, badend in het licht van Christus’ heerlijkheid, vrucht van zijn Passie en bekleed met de gave van de Geest, die altijd met verborgen vreugde gemeenschap tot stand zal brengen en, spelend met alle verschillen, de overeenkomsten herstelt.”

 

Voor Christian de Chergé, voor de martelaren van Gorcum en voor al die anderen die vasthielden aan hun waarheid en daarvoor stierven, moet  het evangelie van vandaag een troost zijn geweest.

Jezus zegt tegen zijn leerlingen:

  • Word niet bang voor de mensen. Wat Ik jullie zeg in het donker, zeg dat in het licht,

verkondig dat vanaf de daken,

–           Wees niet bang voor hen die het lichaam doden, de ziel kunnen zij niet doden.

–           Van een zwerm mussen zal er niet één op de grond vallen buiten jullie Vader om.

Wees dus niet bang. Jullie zijn meer waard dan een hele zwerm mussen.

 

Dit evangelie staat in het hoofdstuk, waar Jezus de leerlingen de opdracht geeft erop uit te gaan.

De uitzendingsrede wordt dit genoemd. Hij geeft de apostelen een aantal aanwijzingen hoe zij op

pad moeten gaan en hoe ze moeten handelen onderweg. Hij bereidt hen voor op de tegenstand

die ze zullen ondervinden, tot vervolgingen aan toe.

“Als iemand partij kiest voor Mij bij de mensen,

zal ook Ik partij kiezen voor hem bij mijn Vader in de hemel.”

Hier ligt wel een theologisch vraagstuk waar al eeuwenlang mee geworsteld wordt: ‘Als God beschikt over leven en dood (niet één mus valt op de grond buiten de Vader om’), heeft hij dan ook de hand in ziektes, in ongelukken, en in rampen? Komen al die vreselijke dingen ook van God? Het is een vraag waar gelovigen keer op keer mee worstelen. Het voert te ver hier nu op in te gaan. Maar al die theologen zijn het er wel over eens dat dat dit vers juist bedoeld is als een bemoediging: we zijn in Gods hand, in leven en sterven.

 

Daarmee zijn dit woorden die eeuwenlang kracht, steun en troost hebben gegeven aan al die miljoenen christelijke martelaren die vasthielden aan hun geloof tot de dood er op volgde.

Het gaat door tot op vandaag.

Paus Franciscus zei twee jaar geleden:

“Vandaag zien wij terneergeslagen hoe in het Midden Oosten en elders in de wereld vele van onze zusters en broeders vervolgd worden, gemarteld en gedood vanwege hun geloof in Christus. In deze

derde wereldoorlog, die fragmentarisch wordt uitgevoerd, vindt een vorm van genocide plaats,

die gestopt moet worden.”

 

Hoe kunnen wij dan spreken van martelaarschap als een verbindend begrip?

Precies omdat de herinnering aan al deze miljoenen martelaren niet verloren mag gaan.

De kerk wordt gedragen door hun opoffering.

Als het gaat om kracht en vasthoudendheid, dan kunnen we bij hen terecht.

 

Wanneer wij de getuigenissen lezen van mannen en vrouwen die voor hun geloof gestorven zijn,

dan zien we een aantal kenmerken.

  • Zij hebben aandacht voor armen en zwakken;
  • Zij bidden en vergeven de daders;
  • Zij tonen een bereidheid zich aan te laten houden om anderen te redden;
  • Zij zijn bereid vrijwillig het lot te delen van mensen die gedeporteerd worden;
  • zij zijn bereid in de gevangenis hun medegedetineerden geestelijke bijstand te verlenen;
  • zij ervaren de gevangenis als een school van eenheid onder christenen, .
  • zij vluchten niet wanneer het nog kan omdat zij hun zusters en broeders niet in de

steek willen laten;

En, tot slot:

  • De pijn en de vervolging (o.a. in Oost-Europa in de vijftiger jaren van de 20ste eeuw) waren voor de christenen, orthodox, katholiek, evangelisch etc. werkelijk een school van eenheid. Daarvoor zorgden het gemeenschappelijk gebed en het gedeelde lijden.”

 

Martelaarschap verbindt ons met deze mensen;

het verbindt ons met gelovigen van een andere achtergrond omdat zij vaak hetzelfde lot ondergaan;

het verbindt ons met een ieder die achtervolging en onderdrukking moeten ondergaan.

Het is een verbinding vanuit ons christelijk geloof die ons terugbrengt tot een grondhouding:

‘wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook een ander niet’.

Wat weer een gedachte oproept aan een zin uit het Onze Vader:

‘maar, God, niet mijn wil maar Uw wil geschiedde’.

Het werkt helend om steeds weer nieuwe verbindingen te maken.

 

Wij hoeven hier niet elke keer weer bij stil te staan. Wel mogen we niet vergeten dat ontzetting nog steeds overal is. Onderdrukking, burgeroorlogen en ideologieën bedreigen telkens weer menselijke waarden en waardigheid.

Dat is de herinnering die de martelaren van Gorcum ons vanuit deze ramen meegeven:

vergeet niet, houdt stand, geloof in God, blijf geloven in het goede, in de liefde voor iedere mens.

 

Het was een lange weg tot deze dag. Martelaarschap is geen gemakkelijk begrip. Een andere opmerking die wij in deze dagen regelmatig hoorden:

“Wij kunnen ons niet meer ‘De Martelaren’ noemen. Die naam is gekaapt door de jihadisten, die moord en verderf zaaien,  zichzelf daarbij meestal opblazen en dan het martelaarschap claimen.”

 

Wat wij beogen met al deze activiteiten rond de datum van 9 juli is het woord zijn (christelijke) inhoud weer terug te geven; recht te doen aan hen die voor hun geloof gestorven zijn.

Zoals aan het begin van de tentoonstelling staat:

“Er zullen altijd mensen zijn die geloven in vrede en verdraagzaamheid en die opkomen voor de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van wetenschap, de vrijheid van geloof.

Nog steeds kunnen zij, strijdbare mensen die zich hard maken voor politieke of sociale gerechtigheid, ‘martelaar voor een goede zaak’ worden.”

 

Vanuit die gedachte starten wij vandaag deze festiviteiten.

 

Amen