Overweging Bob Michels – 28 oktober

  Jer. 31;7-9   Marcus 10;46-62

 

Beste medeparochianen.

In de eerste lezing horen we hoe Jeremia vol geloof het volk van Israël oproept Gods lof te verkondigen omdat hij, Jahwe, een God is die redding heeft gebracht aan zijn volk, zijn volk dat Hij niet verloren laat gaan. Een volk dat Hij, gehavend en geknecht als het is door de ballingschap, terugvoert naar het beloofde land. En niet alleen de sterken – zegt Jahwe –  voert hij terug, het land van Israël  binnen, nee expliciet worden de kwetsbaren genoemd, degenen die extra hulp nodig hebben, afhankelijk zijn  van de sterkeren én van Hem.

Deze oproep, deze verkondiging van Jeremia – ruim 600 jaar voor Christus – om vol te houden in het geloof in een God die zijn volk niet verloren laat gaan, maar thuis zal brengen, is ook een oproep gericht aan ons, in onze tijd, in onze wereld, hoe moeilijk dit geloven ook niet zelden kan zijn; ons geloof, waarin juist bij wellicht velen van ons twijfel is binnengeslopen – onze ballingschap – , wat ook de onderliggende oorzaken van die ontstane twijfel, onzekerheid, in het geloven mogen zijn.

Afgelopen week berichtte het CBS dat voor het eerst minder dan de helft van alle Nederlanders nog gelovig zou zijn – ofschoon er wel kritiek is op hoe dit geloven of niet-geloven was gedefinieerd en vastgesteld. Dat het Christelijk kerkbezoek fors terugloopt kan iedereen zien; maar het is te kortzichtig om deze teruggang alleen maar op het conto van verlies aan geloof te schrijven. Neemt niet weg dat de verkondiging van Jeremia, dat God ons thuis zal brengen uit onze ballingschap, nog net zo actueel is als eeuwen geleden.

Dankzij en van uit het geloof te kunnen zien, is denk ik de boodschap in de tweede lezing, het Evangelie van Marcus over de blinde bedelaar Bartimeüs. Bartimeüs die, in weerwil aanvankelijk van de omstanders, Jezus bleef smeken om medelijden met hem te hebben – die Jezus bleef smeken om hem te laten zien.

Hoe zouden we dit Evangelie kunnen vertalen naar onze tijd, naar onszelf en de maatschappij waarin wíj leven? Een maatschappij waar wij niet alleen deel van uitmaken, maar waar wij ook zélf mede vorm en invulling aan kunnen geven, of beter gezegd aan dienen te geven, maar anderzijds inherent door dit na te laten, ook mede verantwoordelijk zijn voor hoe de maatschappij er dan uit ziet.

Dankzij en van uit het geloof te kunnen zien is – zoals ik net zei – denk ik de boodschap van dit Evangelie; dat betekent naast geloven, kunnen geloven en naast zien, kunnen zien. Maar dat roept de vraag op wat met zien in deze wordt bedoeld én wat is dan niet-zien is. Confronteert het Evangelie ons feitelijk niet met de vraag in hoeverre wij – wellicht niet zelden – ziende blind zijn en niet zien dát wij ziende blind zijn?

Mag ik een verder volstrekt onschuldige vergelijking als voorbeeld nemen om dit te verduidelijken: Metro 54 in de ochtendspits van station Amstel richting Gein. Geen overschatting: Meer dan 90% van je medepassagiers is druk met zijn of haar iPhone – al dan niet met oordopjes in –  en staart met een nietszeggende blik vaag voor zich uit. Zij hebben hun ogen open, kijken, maar zien zij jou en de anderen in de metro aanwezig, zien zij wat er om hen heen gebeurt? Ik betwijfel wat zij registreren bij hun omzien.

Onschuldig zult u terecht zeggen, want onderweg je terugtrekken in een krant of boek is toch ook maar weinig anders? En wie wacht op een gesprek met een onbekende?                                                          Geheel mee eens. Maar anders wordt dat, is dat, als van ons als medemens wordt gevraagd, wordt verlangd, te zien wat er wezenlijk dichtbij, wat verder weg, of ver weg plaatsvindt, leeft, bestaat, geschiedt in de wereld, mét de wereld. Zien wij die mensen daar, gevraagd én ongevraagd, als onze médemensen? Zien wij hen: het individu, die persoon – dat kind, die vrouw, die man – , die bevolkingsgroep, die mensen in dat land? Zien wij onder hen het bestaan van ongelijkheid, de armoede, de onrechtvaardigheid, het geweld, de onderdrukking, of anderszins?

Zien wij hen écht, of zijn wij ziende blind, vertonen wij een soort leesblindheid? Komen de signalen van wat wij zien niet verder dan ons netvlies, vormen zij bij ons geen beeld? Of trachten wij de omstandigheden waarin, de problemen  waaronder zij leven, moeten leven en willen leven te ‘lezen’? Te doorgronden? Te beleven, zoals men bijvoorbeeld een gedicht, een schilderij, een muziekstuk en dergelijke ‘lezen’ kan?                                                                                                                                  En zien, ‘lezen’, wij evenzo ook de natuur om ons en hen heen en de aarde waarop wij, met al wat leeft, leven?

De volgende vraag is dan natuurlijk, wát áls wij iets zíén, wat kunnen en / of doen we er dan mee? Veel van waarmee wij worden geconfronteerd, zeker van verder weg, ligt voor de meesten van ons buiten ons bereik, buiten ons vermogen. Maar het zien, doorzien, in ons opnemen er van is al belangrijk, zo niet essentieel, want dat wat wij registreren en verwerken in onze geest, kunnen we op zijn minst al delen met anderen en aldus bereiken dat meerdere mensen het gaan zien en het meer gemeengoed wordt, waar anderen, organisaties of leiders mee aan de slag kunnen of zelfs moeten.

Maar ook eenvoudiger: een kaartje via Amnesty International, een kleine gift voor een hulporganisatie, de voedselbank, en ga zo maar door, er is voldoende wat wij zelf allemaal – hoe klein ogenschijnlijk ook, maar wél belangrijk – kunnen invullen. En ook in het directe contact met mensen in onze omgeving: gewoon een woord, een gebaar, wat aandacht; denk aan de viering van 16 september georganiseerd door het Diaconaal Platvorm Amsterdam Oost.

En zien we de natuur, onze aarde: Planten, dieren, water, lucht, de ozonlaag? Hoe duurzaam gaan wij dáár mee om? Hoe gaan we om met energie en de bronnen er van, met voedsel, met allerlei wel of niet zeldzame grondstoffen, of alle afval die we produceren?

Voor alles wat ik u geschetst heb: Zien is één, maar verliest zijn belang als wij de drempel – vaak eigenlijk niet meer dan een drempeltje – naar er iets mee doen, om wat voor reden dan ook, niet overgaan.

Bartimeüs de blinde bedelaar trok zich niets aan van de omstanders die hem trachtten tot zwijgen te brengen, maar volhardde met nog veel harder te roepen. Bartimeüs geloof in Jezus betekende de vervulling van zijn wens ‘Om te kunnen zien’.

Ik zou willen eindigen met de titel van het lied tijdens het Offertorium: Teach me, o Lord, om te kunnen zien en er naar te handelen.