Overweging Coen van Loon – 24 september

Opening van het seizoen.  Jes. 55, 6-9; Matteüs 20, 1-16a

 

 

Lang heb ik moeite gehad deze parabel goed te lezen. Ik begreep de Landheer en zag het verband niet tussen deze parabel en de uitleg die Jezus geeft over het rijk der hemelen. Het morren van de arbeiders van het eerste uur begreep ik en ik sloot mij er van harte bij aan: mensen die maar één uur werken en de brandende hitte van de dag niet hebben gedragen, die moeten natuurlijk meer betaald krijgen dan zij die nauwelijks gewerkt hebben. Waren er in die tijd vakbonden geweest, dan zouden ze moord en brand hebben geschreeuwd.

 

Met die wat primaire reactie van onrust en boosheid vergat ik echter de woorden van Jesaja die bij dit Evangelie gezocht zijn: “Zoals de hemel hoog boven de aarde is, zo hoog gaan mijn wegen uw wegen te boven en mijn gedachten uw gedachten. Uw gedachten zijn nu eenmaal niet mijn gedachten, mijn wegen niet uw wegen”. Dat is de invalshoek van waaruit deze parabel gelezen moet worden. Ik denk, inderdaad, zoals iemand zei, dat er een soort shocktherapie nodig is
om ons te laten inzien dat Bijbelse gerechtigheid niet samenvalt met wat wij onder rechtvaardigheid verstaan. Lees je de parabel, de gelijkenis, goed dat zie je de landheer zich keurig aan de afspraak. De mensen die later kwamen heeft hij helemaal niets beloofd:

hij heeft alleen gezegd dat de betaling rechtvaardig zal zijn. Maar hoe zit het dan? Waarom denken wij dat dit onrechtvaardig is? Hebben wij soms geleerd om dit onrechtvaardig te vinden?

 

Er is een ander stuk uit het Oude Testament waar wij naar kunnen kijken. In Deuteronomium 24, 14 staat: “een arme en behoeftige dagloner, een volksgenoot of een vreemdeling die in uw stad of in uw land woont, moogt ge niet hard behandelen. Iedere dag moet ge hem voor zonsondergang zijn loon uitbetalen, want hij is arm en ziet er verlangend naar uit. Anders roept hij de Heer tegen u aan en laadt ge schuld op u.” Dit is dus Bijbelse gerechtigheid: je zorgt voor hen die nauwelijks iets bezitten. En daarmee krijgt deze gelijkenis een radicale diaconale wending.

Die dagloners hadden verder geen inkomsten. Met het geld dat ze ’s avonds in handen kregen, als hun dagloon, konden ze inkopen doen voor zichzelf en hun familie. Het moest en moet iedere dag opnieuw verdiend worden. Deze dagloners weten niet waar ze morgen van kunnen leven.

Zij van het eerste uur hebben het werk gedaan dat gebeuren moet. Voor hen die het laatste kwam was er niet genoeg werk meer; zij kregen die ene denarie omdat God dat van de landheer vraagt.

 

We zouden kunnen zeggen dat dat bedrag symbool staat voor Gods dagelijkse zorg voor mensen,

God is die goed is, woorden van liefde doet….. Zoals een adelaar jongen op vleugels draagt, zo draagt God Zijn mensen als vrienden op handen. Jezus zegt: ‘Maak je dus geen zorgen voor de dag van morgen’. Daar moet dan wel bij gezegd worden dat wij de mensen zijn die dit in Zijn Naam in praktijk moeten brengen.

 

In deze dagen zijn er twee mensen die een erfenis met ons delen.

Op 3 en op 10 september heeft Leo Nederstigt zijn erfenis uitgedeeld. Er zijn zo’n duizend boekjes over de toonbank gegaan en er wordt aan een tweede druk gedacht. Nou, denk ik dan, Leo, je had ook wel 2 of 3 euro voor dat boekje kunnen vragen. Maar, nee, zo is Leo niet. Hij ziet dat boekje echt als een geschenk voor de mensen die hij liefheeft. Daarom heet dat boekje ‘ik hou van jou’. En op de portretten in het boekje van de mensen die hij liefheeft, zie je dat ze van alle rangen en standen zijn.

 

De ander die naar een erfenis gevraagd werd is Eberhard van der Laan. In het programma zomergasten, enige weken geleden zag je dat hij geraakt was door de verbroedering die plaatsvond voor het huis van Ajax-voetballer Abdelhak Nouri in Geuzenveld. Deze week moet er diezelfde ontroering geweest zijn toen duizenden Amsterdammers voor zijn huis een aubade brachten. Aan het eind can het gesprek vraagt de interviewster: “Wat is je erfenis? Wat hoop je dat die erfenis is in Amsterdam?” “Dat het de lieve stad blijft, die het is.” Je hebt ‘m ook liever gemaakt, zegt zij.
“Ik hoop het,” zegt hij, terwijl hij tegen zijn tranen vecht. Dit was bijzonder. wanneer zien we andere emoties dan woede en verontwaardiging bij onze politici?, vroeg een krant zich af. Dat gebeurde deze avond.  

 

 

 

Zijn er mooiere gedachten dan deze om als Hofkerk vandaag aan een nieuw seizoen te beginnen?

We noemden het altijd het martelarenfeest, dit moment in het najaar dat wij even stilstonden. Maar dat was er al op 9 juli, op een gedenkwaardige manier.

Vandaar dat wij nu spreken over de opening van het seizoen. U krijgt vandaag een hele lijst met activiteiten die de komende maanden gaan plaatsvinden. Wij zijn er best een beetje trots op dat er weer zoveel staat te gebeuren. En wij hopen dat de activiteiten aansprekend zijn en dat u bereid bent te komen.

 

Naast al die activiteiten zal het proces van samenwerking doorgaan. In feite leven wij als parochiegemeenschappen van Oost ook in een tijd van afscheid nemen, zoals Leo en de burgemeester dat doen; een tijd van transitie zoals het al vaker genoemd is.

Het liefst zouden wij parochie willen zijn zoals het altijd geweest is en al die veranderingen buiten de deur houden. Maar tegelijk zie je dat dat niet reëel zou zijn.

Bij alle activiteiten zijn er in de komende maanden vijf avonden rond spiritualiteit. De Martelaren van Gorcum waren wereldheren en franciscanen, norbertijn reguliere kanunnik van Augustinus en een dominicaan. Ieder van die avonden zal de spiritualiteit van die vijf orde besproken worden.

Het zijn avonden die ons naar de bron brengen.

De bron van een God die goed is en woorden van liefde doet.

Zoals de gelijkenis van vandaag dat doet.

 

Mag ik dan eindigen met de woorden die achter in het boekje staan:

 

Bezinning

Sta eens stil

Voor de opbouw van zijn wereld
heeft God ze allemaal nodig:
zowel de werkers van het eerste uur
als die van het laatste,
zowel de mensen met ervaring en vorming
als de pas aangekomenen
die nog veel moeten leren,
maar wellicht ook frisse nieuwe ideeën kunnen aanleveren.
Zowel mensen met tijd
als mensen met een druk gevuld leven.
Hij heeft voorgangers nodig en leiders
maar ook stille werkers,
en bidders.
Allemaal zijn ze nodig
voor de opbouw van Gods wereld.

Vergelijk jezelf niet met een ander,
noch met wat hij kan of met wat hij verdient.
Zoals je bent,
zo heeft God je nodig voor zijn wereld.

Want het gaat niet
om wat je organiseert of om hoeveel je presteert,
maar het gaat om het werken in Gods wijngaard
waar alles spreekt van
‘Ik zal er zijn voor u’,
waar goedheid
veel verder gaat dan rechtvaardigheid,
waar we allen evenveel bemind zijn:
oneindig veel.

naar André Callewaert