Overweging Frank de Haas – 14 oktober

Overweging 14 oktober 2018, viering met Meerklank

Wijsheid 7, 7-11 / Marcus 10, 17-27

Beste mede parochianen,

 

De eerste lezing van vandaag is genomen uit het boek Wijsheid. We lezen dat niet zo vaak. Dat is eigenlijk wel jammer, want er staan behartenswaardige dingen in. Ik denk ook dat het geen kwaad kan om ons met ‘wijsheid’ bezig te houden.  De wereld heeft wijsheid hard nodig! Zie hoe in deze lezing, in de verzen 8 t/m 10,  de wijsheid hoog geprezen wordt. Boven scepters en tronen, ver boven rijkdom, boven de kostbaarste steen, boven goud en zilver, zelfs boven gezondheid, boven schoonheid en boven het licht. Dat is nogal wat! Het is spijtig dat de lezing vandaag  maar zo kort is. De verzen 22 en 23 zijn prachtig. In de wijsheid is een geest…en dan komt het…ik laat het horen…’die verstandig is, heilig, enig, veelzijdig, subtiel, beweeglijk, doordringend, smetteloos, helder, onkwetsbaar, bedacht op het goede, scherpzinnig, onweerstaanbaar, weldadig, menslievend, standvastig, onwankelbaar, onbekommerd, alles vermogend, alles overziend, alle geesten doordringend…’ En zo zou ik nog verder kunnen gaan…

2.

De tweede lezing van vandaag is een bekende. Simpel gezegd draait deze om de vraag : hoe kom ik in de hemel? Jezus wordt aangesproken als Goede Meester. Jezus’ reactie is dan verrassend: Niemand is goed dan God alleen. Om in de hemel te komen, moet je de geboden onderhouden. Daar kunnen we ons iets bij voorstellen. Maar dat is nog lang niet genoeg. Want wat zegt Jezus in vers 21 tegen de steller van de vraag: ‘Een ding ontbreekt u: ga verkopen wat ge bezit en geef het aan de armen, daarmee zult ge een schat bezitten in de hemel. En kom dan terug om mij te volgen’. De lezing maakt overduidelijk dat het bepaald geen eenvoudige opgave is om toegelaten te worden tot de hemel. Ook tot verbijstering van Jezus’ leerlingen. God bepaalt wie er worden toegelaten. In vers 29 (staat niet in uw boekje) wordt nog eens scherp aangegeven wat er van ons verwacht wordt: geef huis, broers, zusters, moeder, kinderen of akkers prijs. En dan nog wacht je geen eenvoudig leven.

3.

Laat ik op de evangelielezing wat verder ingaan. Waarin Jezus in gesprek raakt met die rijke jongeling. Die zijn leven zo op het eerste gezicht aardig op de rails lijkt te hebben. Maar die met een behoorlijk fundamentele vraag komt, die hem kennelijk zeer bezighoudt: als ik in aanmerking wil komen voor het eeuwige leven, wat moet ik er dan voor doen? We zien dat Jezus deze jonge vent serieus neemt. En hij is ook duidelijk: mocht de man denken dat hij op een makkelijke manier, via een soort van sluiproute, in de hemel kan komen, dan komt hij bedrogen uit. Voor deze man is er geen andere weg dan voor alle andere mensen. Kijk eerst nog maar eens goed in de bijbel, krijgt hij te horen. Die is richtinggevend. En kijk dan vooral naar de regels, naar de tien geboden die je hebt te onderhouden. De rijke jongeling is eigenlijk wat ontdaan over Jezus’ antwoord: ik heb toch altijd een keurig en oppassend leven geleid? Maar er is meer wat hij zal moeten doen. Hij moet radicale keuzes maken. Sta alles wat je hebt af aan de armen. Durf alles los te laten. Alles wat je bezit. Dat is lastig! Moeilijker zelfs dan dat een kameel door het oog van een naald kruipt. Onmogelijk dus, ben je geneigd te zeggen.

4.

Moeten we, kunnen we zeggen dat die rijke man misschien wel bezeten is door zijn eigen bezit? Dat mag wellicht zo zijn, maar Jezus neemt de tijd om hem goed te woord te staan. Er staat zelfs dat Jezus hem liefdevol aankijkt. Hij ziet dat de man worstelt met deze voor hem essentiële vraag. Met deze existentiële vraag. De jongeling wil een leven met inhoud, hij wil een waarachtig leven, met hart en ziel. En omdat Jezus ziet dat het de man menens is, geeft hij aan wat de weg is: alles loslaten, alles achterlaten. Want zo kan zijn geloof zijn leven veranderen. Dan wordt het een leven met diepgang, een leven daadwerkelijk gericht naar God, voor het aangezicht van God.

Deze lezing roept bij ons, eenvoudige gelovigen, altijd verwarring op. Als we in de hemel willen komen, als er voor ons een eeuwig leven mogelijk is, moeten we dan echt zo’n ingrijpende en radicale stap zetten? Misschien, lijkt mij, zit het grootste probleem hem niet in het loslaten van een behoorlijk comfortabel leven. Maar afscheid nemen van je dierbaren? Dat gaat heel ver. Toen ik ging zoeken naar een antwoord, las ik ergens het volgende. Zulke woorden worden vaker in de bijbel gebruikt. Als stijlfiguur. Met opzet wordt hier een prikkelende overdrijving gegeven, bedoeld om de zaak zo scherp en helder mogelijk te beschrijven. Er is nog een heel bekend voorbeeld van zo’n overdrijving. ‘Als je rechteroog je op het verkeerde pad brengt, ruk het dan uit en werp het weg. Als je rechterhand je op de verkeerde weg brengt, hak hem dan af en werp hem weg’. Laten we eerlijk zijn: niemand van ons gelooft toch dat Jezus zulke bizarre daden echt van ons verlangt.

6.

Maar het gaat er wel om dat je iets in je leven daadwerkelijk verandert. Als je daar echt een goed leven van wilt maken, en een leven met perspectief. Wil je echt iets willen ervaren van wat je een eeuwig leven kunt noemen, wil je iets meemaken wat op de hemel lijkt, dan móet je keuzes maken. Dan móet je volgens de bijbel allerlei uiterlijks, allerlei oppervlakkig gedrag overboord zetten. Dan moet je een bestaan opbouwen dat veel meer is dan het naleven van een hele serie regels en voorschriften. Dan moet je proberen om bij de kern te komen. Dat is: God bovenal liefhebben en je naaste liefhebben als jezelf!

7.

En daarmee zijn we echt bij het punt waar het in de bijbel, en waar het in ons geloof en in ons leven, in wezen om gaat. Dat is toch de opdracht die je eigenlijk uit de hele bijbel kunt halen en waar we, welk thema voor een viering we ook kiezen, altijd weer bij uitkomen. Het is wat de bijbel ons te zeggen heeft. En ook in onze andere  teksten, van gebeden en liederen, is dat toch altijd de essentie. Zoals het koor zo mooi in het openingslied zong:

‘Wereld, stop het dralen, want je naaste schreeuwt om jou’. En:

‘Vader, geef ons vertrouwen om de wereld te herbouwen.

Mensen, handen uit de mouwen, want je naaste schreeuwt om jou’.

 

En hoe mooi is dat! Zo’n leven, van liefde voor God en je naaste, dat proberen we te realiseren als we zeggen dat we Hem volgen. Dat we zijn Weg willen gaan, in Zijn voetsporen willen treden. Daarvoor doen we ons best. Maar we weten ook dat het niet simpel is…

In de tussenzang zongen we:

‘En Hij zegt ook ons: ga met mij mee, verlaat je starre houding.

Geloof in mij, ik zal er ook zijn. ’t Is geen gemakkelijke weg’.

8.

Daar zijn we ons maar al te zeer van bewust. In ons persoonlijke leven. En hier, in onze ontmoetingen in de geloofsgemeenschap van de Martelaren, de Hofkerk. Hoe loopt hier het pad naar de toekomst?  Welke ‘voeding’ krijgen we hier, als we in de liturgie bijeenkomen? Hoe kunnen we elkaar daarbij bemoedigen en inspireren? Hoe houden we de hoop levend? En hoe wijs zijn wij? Laten we elkaar vasthouden. Laten we het samen doen. In vertrouwen op God en op elkaar.

In het lied na deze overweging klinken deze woorden:

‘Wat is mijn pad? Waar moet ik heen? U weet de weg, wij allen één.

U gaat ons voor, waar wij ook gaan.

U bent het licht, een nieuwe morgen breekt aan’.

Laten we zo dadelijk eerst even stil zijn.

Amen