Overweging Alex van Ligten – Themaviering I Hooglied

Nadere informatie over het Hooglied, klik hier.

Hooglied 8:6

Liefde in tijden van oorlog

 

Tekst voor Zondag Oculi, 20 maart 2022, Amsterdam (Hofkerk).

 

  1. In de gelijkenis van Lucas 13 is de wijngaardenier de beelddrager van God: opkomen voor wat bedreigd wordt in het bestaan, met groot geduld hopen op de goede vruchten die zijn schepselen voort kunnen brengen. Beeld en gelijkenis van zijn liefde.

Er zijn godgeleerden geweest die dezelfde uitlegmethode toegepast hebben op het Hooglied. Dat was ook een soort gelijkenis, zeiden ze, namelijk van de liefde van God voor de mens. Dankzij deze vergeestelijking doorstond het Hooglied alle aanvallen van overvrome zielen die de gedichten hun plaats in de Bijbel wilden ontzeggen.

Zijn er dan betere interpretaties? Zeker, maar het is oppassen geblazen, want voor je het weet zit je in de inmiddels achterhaalde  lesmethode waarbij aan de klas gevraagd wordt: ‘Wat heeft de dichter bedoeld met regel 3 en 4?’ Goede liedjes en gedichten hebben een soort meerwaarde. Ze overstijgen de bedoeling van hun dichters en de enige vragen die je kunt stellen bij een gedicht zijn: wat roept het op? Wat zegt het je?

 

De liedjes van het Hooglied gaan over verlangen, over het geluk in de armen van de geliefde, over de bitse reacties van de omgeving, familie, vrienden en vriendinnen. Over de hervonden geliefde, over de angst hem of haar kwijt te raken. Over de herinnering aan de eerste keer, over jaloersheid, hartstocht en het niet kunnen blussen van de gloed van dit vuur. Over lichamelijke schoonheid, onrust. Er wordt geminnekoosd, gescharreld, geknuffeld, gezoend.

De in alle geuren en kleuren bezongen liefde tussen twee mensenkinderen, vol zonneschijn en kinderlijke vreugde, vrijheid blijheid, werd in handen van de zwartrokken één grote gelijkenis van de liefde van God voor zijn volk (of zijn kerk) en de wederliefde van de mensen voor God. Maar de meeste invloed heeft de ene tekst gehad waarin de Naam van God, de liefde en de dood gezusterlijk samen staan.

Leg mij als een zegel aan je hart,

als een zegel aan je arm,
want sterk als de dood is de liefde,

onverbiddelijk als het dodenrijk is de hartstocht.
Haar vlammen zijn vlammen van vuur, vuurgloed van Hem.

  1. Ongelijke grootheden. Van God weten wij niets, de dood is een onmiskenbare zekerheid, maar de liefde? ‘Ze komt en gaat van de een naar de ander,’ zong een liedje lang geleden. ‘Ze geeft ons alles, maar ze neemt ook veel te veel’ [1]. Ze bestaat, en dat komt in het Hooglied sterk tot uitdrukking, zeker ook uit weemoed, verlangen, onvervuldheid. In het Hooglied zoekt het meisje de jongen die ze maar niet kan vinden, hun liefde wordt bedreigd – door de familie die het er niet mee eens is, en door de eigen innerlijke twijfel.

De liefde is een doorlopend gebeuren, geen vaste situatie.

Misschien is dat de kink in de kabel, juist omdat wij zijn gaan geloven in een soort romantisch ideaal, ‘en ze leefden nog lang en gelukkig’. De liefde uit gemakzuchtige films, of nog erger, enge tv-programma’s.

Op het moment dat je je liefde gaat etaleren, voor een camera of waar dan ook in de openbare ruimte, wordt het plat, wordt de liefde zelf verraden. Er vallen doorlopend gemeenplaatsen (‘Ja, ik voelde wel een klik’), de liefde houdt het niet uit als er kijkcijfers mee gemoeid zijn.

Ze kan maar het beste in de intimiteit gevierd worden. Misschien is de enig verantwoorde mogelijkheid om ermee naar buiten te treden: haar bezingen of in poëzie gieten. En dan nog alleen maar door zangers, zangeressen, dichteressen en dichters die hun vak goed verstaan, en die bovendien liefst ook nog ervaringsdeskundigen zijn.

Als dat gebeurt, en in het Hooglied is dat zo, dan krijg je woorden en beelden waarin je je herkend, gekend weet, die de liefde in je opwekken, die je levend houden.

Zelf kun je de liefde niet opwekken of verhaasten, zegt dit Lied der Liederen. Naast het geduld wat opgebracht moet worden, is er ook het gemis, als de liefde niet meer rechtstreeks beleefd en geuit kan worden. Het is ook: het erkennen van afhankelijkheid, ‘als jij er niet bent, blijf ik nergens, leg mij als een zegel aan je hart’. Geheel en al aan de ander toebehoren, maar zonder in ongelijke machtsverhoudingen te belanden.

 

  1. De liefde en de dood zijn beide onherroepelijk, twee abstracte begrippen die het meest concreet van alle zijn.

Een ontwapenende Japanse interviewster vroeg aan Bob Dylan: ‘Waarom gaan uw liedjes zo vaak over de liefde en de dood?’ Waarop Dylan reageerde met: ‘Well, uh, what else is there to uh….?’ Waar moet je anders over zingen? Als het dáár niet over gaat, gaat het nergens over.

 

Wat er in elk geval wél gebeurt door het samenbrengen van de liefde en de dood, is: mocht je nog in de wolken zijn, mocht de liefde nog door bloemetjes en lieflijk vioolspel omgeven zijn geweest, dit haalt je in één klap uit de wolken en zet je op de grond.

Want wat er ook aan teders en intiems aan de liefde moge zijn, ze speelt zich af in een grimmige wereld, de wereld van vluchtelingen uit en doden en gewonden in Oekraïne. En Syrië. En Jemen. En Congo. De wereld waarin mensen geschonden en gedood worden, door bommen op woonwijken en ziekenhuizen. Waarin kinderen en vrouwen de eerste en de ergste slachtoffers zijn.

En nu is het grandioze van die eerst zo raar lijkende gelijkstelling van dood en liefde dat je kunt zeggen: bij alle denkbare ellende in de wereld, bij alles wat op de dood uitloopt, zelfs bij de ergste ervaring van dood in je eigen leven, moet je weten dat er een kracht is die even sterk is.

Dit hoge lied der liefde zingt niet dat ‘t allemaal nog wel wat meevalt.  Het zegt: er is iets dat net zo sterk is als de dood. Niet sterker, maar ertegen opgewassen. Liefde heet die kracht en we houden verhalen in ons midden levend van een mens die die liefde belichaamde en die daardoor de dood overwon.

 

  1. Het zou kunnen dat juist om die reden het Hooglied de vaste lezing is geworden in de synagoge op het Pesachfeest. De bevrijding uit het slavenhuis, door het doodswater van de Schelfzee heen, daarbij hoort dit hoge lied.

God houdt zich in deze teksten op de achtergrond – de enige keer dat zijn heilige Naam voorkomt is in die tekst over de dood en de liefde. Een wijze joodse uitleg zegt bij de vraag of het boekje wel in de bijbelcanon hoort, terwijl God er niet of nauwelijks in voorkomt: ‘God is onze Vader, en ouders moeten zich liever niet bemoeien met het liefdesleven van hun kinderen.’

De mensen die elkaar hun liefde verklaren, zijn elkaars gelijken: er worden geen machtsspelletjes gespeeld, er wordt niet gemanipuleerd of gechanteerd, laat staan gedwongen, ze zijn in liefdesuitingen, ook in hun lustgevoelens, volkomen gelijk.’

God ziet dat alles op gepaste afstand met welbehagen aan.

 

  1. Maar toch, al doen we niet aan allegorische uitleg waarin de bruidegom de Messias en de bruid de gemeente is, of waarin God ons wanhopig zoekt en wij hem, er is alleen al door het woord liefde een verband tussen Hem en ons.

Toen Franz Rosenzweig, nu ruim honderd jaar geleden, toe was aan het grote middendeel van zijn Stern der Erlösung, het deel over de Openbaring, schreef hij: de enige reden voor God om zich te openbaren aan de mensen, is zijn liefde. Uit liefde voor ons wil Hij zich bekend maken. Alle geboden in de Bijbel, zegt Rosenzweig, zijn kleine onderdelen van zijn ene grote liefdesverklaring aan de mensheid. En als illustratie daarbij gebruikt Rosenzweig het Hooglied. ‘De liefde is geen eigenschap, maar een gebeuren’, heeft hij al eerder vastgesteld, en bij het Hooglied zegt hij: ‘De taal der liefde is louter heden’ [2]. Ze wordt waar in haar steeds nieuw bevestigen en bevestigd worden. Ze wil beleefd, ervaren én uitgesproken worden. De partner die op de vraag van zijn geliefde, ‘hou je nog van me?’ zou antwoorden met ‘ja, dat hèb ik toch al eens gezegd’, kan rekenen op een problematisch vervolg van het gesprek.

Zoals God de mensen zijn liefde heeft verklaard door zich te kennen te geven in zijn Woord, zo gaat Hij voort zijn liefde te verklaren in al het goede wat zich in de wereld tussen zijn schepselen af kan spelen. ‘En zoals Ik jou liefheb,’ zegt Hij, ‘zo zal jij liefhebben’.

 

In goede menselijke relaties kan veel herkend worden van Gods liefde voor ons; vanuit het besef dat God eindeloos veel van ons houdt, slagen wij er (zo nu en dan) in eindeloos veel van elkaar te houden.

Sterk is het Hooglied in de vreugde, de onbevangenheid. Er zit niets geforceerds bij: de liefde komt wanneer ze komt, en zoals ze komt: ‘Wek de liefde niet op en prikkelt haar niet, voordat het haar behaagt’ (2:7, 3:5, 8:4). Ze laat zich niet dwingen, niet wegredeneren: ‘Vele wateren kunnen de liefde niet blussen en rivieren spoelen haar niet weg’ (8:7).

Het Hooglied bezingt op een unieke wijze de menselijke ervaring van gekend, geborgen zijn, waarlijk vrij gemaakt zijn.

Dat moge ons staande houden in tijden van crisis. Wat er ook gebeurt, we weten ons geborgen in Gods liefde en proberen daar wat van te delen mèt en uit te delen áán elkaar.

Zo moge het zijn.

[1] Connie Francis in de jaren ’60.

[2] De ster van de verlossing (2000), 192 en 236.

Vieringen

Zondag
10:30 uur: Liturgieviering. Dit kan afwisselend een eucharistie- of een woord en communieviering zijn. Zie hiervoor het liturgierooster,waar u ook nadere informatie vindt over de voorganger en het dienstdoende koor.

Contact

Parochie H.H. Martelaren van Gorcum
Linnaeushof 94
1098KT Amsterdam
Bereikbaar via voicemail op 020-6653830
E-mailadres:  secretariaat@hofkerk.amsterdam

 

U kunt ook het contactformulier gebruiken.